Slimme uitvluchten bij beginnende dementie

'Vroeger liep ik als arts iedere maandagmorgen visite op een afdeling waar demente mensen verblijven. Het is meer een gezellige rondgang dan een echte `artsenvisite', maar zo houd ik contact met de aan mijn zorg toevertrouwde bewoners. Met meneer Jansen heb ik een gezellig praatje en als ik aan hem vraag welke maand het nu is, aarzelt hij geen moment en zegt: `Dezelfde maand als waarin u leeft'.

Ik herken onmiddellijk wat er achter dit `briljante' antwoord schuilgaat. Mijnheer Jansen mobiliseert al zijn creatieve vermogens om te verbloemen dat hij door zijn dementie de maand niet meer weet. Als hij ook nog over vroeger vertelt en alle feiten en feitjes weet te noemen uit het verleden, zijn velen overtuigd: `Mijnheer Jansen is niet dement'. Ook hulpverleners herkennen niet altijd deze valkuilen en zetten vraagtekens bij de diagnose dementie. Niet dat meneer Jansen mij heel bewust op het verkeerde spoor zet. Het lijkt wel of 'goede' delen van zijn brein hem dat influisteren en dat hij daardoor nog zijn laatste creatieve vermogens mobiliseert.

In de beginfase van dementie kan iemand nog opvallend goed over vroeger vertellen en lijkt het alsof er niets aan de hand is. De drang om over voorbije tijden te praten is dat men het heden liever vermijdt, omdat door inprentingsstoornissen hiaten in het geheugen zijn ontstaan. De demente persoon zal dan in een gesprek met anderen de aandacht niet meer weten vast te houden en er niet meer bij horen. Dan maar een spannend verhaal uit het verleden vertellen. Een moeilijke vraag, zoals de vraag wie de koning is of welke maand het is, omzeilt hij en als het kan, op een geloofwaardige en intelligente manier, zoals mijnheer Jansen dat net ook deed. Hij weet niet of het oktober of welke maand dan ook is, dus lost hij dat op met een slimme uitvlucht. Deze verrassende uitvluchten worden confabulaties (verzinsels) genoemd. In een later stadium van dementie is hij hiertoe niet meer in staat en vallen er echt gaten in de gesprekken.