Lezing boek Medicijnen voor Senioren

WAAROM DIT BOEK?

Een belangrijke reden om dit boek te schrijven is om inzicht te geven in wat medicijnen zijn: waar ze vandaan komen en wat ze doen. Zo zullen de indianen uit het Braziliaanse oerwoud nooit bevroed hebben dat het slangengif dat zij op de punten van hun pijlen bevestigen, de basis heeft gelegd voor medicijnen tegen hoge bloeddruk en hartfalen.

Een andere belangrijke reden is om te schrijven over medicijnen voor senioren. Dus het goed informeren over geneesmiddelen op oudere leeftijd, juist ook omdat enerzijds medicijnen voor heel veel kwaliteit van leven kunnen zorgen, maar anderzijds ook omdat er heel wat gevaren van bijwerkingen op de loer liggen.

Nog een belangrijke reden is dat wanneer wij meer kennis van zaken hebben, we onze eigen `waakhond' kunnen zijn. We hebben zicht op onze aandoeningen, we kennen de medicijnen die we gebruiken en volgen de symptomen van ons eigen lichaam.

Maar belangrijk is ook dat we mee kunnen beslissen over onze eigen behandeling en een gesprekspartner van de huisarts kunnen worden.

ZIJN MEDICIJNNAMEN ABRACADABRA?

Wanneer we sommige namen lezen zakt ons wellicht de moed in de schoenen. Het is abracadabra en er is geen beginnen aan. We hebben dan ook de neiging om maar niet verder te lezen. Maar schijn bedriegt, want het is echt veel gemakkelijker dan we denken. Bovendien zijn er voor heel veel namen helemaal geen Nederlandse namen, omdat niet alle medisch jargon vertaald kan worden. Daarom is het belangrijk de Latijnse of Griekse namen te leren kennen en in dit boek worden al deze namen uitgelegd.

Laten we alvast een paar voorbeelden noemen. Voor hart- en vaatziekten worden trombocytenaggregatieremmers gebruikt. Dit is een behoorlijke mond vol. Toch is het niet ingewikkeld. Trombocyten zijn de medische benaming voor bloedplaatjes en aggregatie betekent samenklonteren. Als we weten dat een bloedstolsel wordt gevormd doordat bloedplaatjes gaan samenklonteren en medicijnen zijn ontwikkeld om dat te remmen of te verhinderen, dan wordt de naam van deze geneesmiddelen een stuk eenvoudiger, namelijk bloedplaatjes gaan stollen maar dat wordt geremd. Hiermee behoren deze medicijnen tot de antistollingsmiddelen. We kennen nu de betekenis van de naam, maar ook wat ze doen.

MEDICIJNGEBRUIK BIJ OUDEREN

Onze organen hebben een behoorlijke overcapaciteit. We kunnen heel wat potjes breken vr er echt iets misgaat. De leeftijd is de grote spelbreker. Als we ouder worden raken de reserves op en worden we kwetsbaarder, waardoor de kans op ziekte toeneemt. Bovendien hebben we in ons lange leven ziektes meegemaakt die ook nu nog een rol kunnen spelen. Kortom, als we ouder worden lijden we vaak aan meerdere ziektes tegelijk. Door de toenemende welvaart in onze samenleving zijn we echter ook een stuk weerbaarder geworden, waardoor tot op hoge leeftijd ziekten terug-gedrongen kunnen worden. De medische wetenschap doet er nog een schepje bovenop en gaat met succes de strijd aan met vele ziektes. Waar een aandoening niet meer te genezen is, kan vaak wel de ziekte redelijk in bedwang worden gehouden. Senioren met diabetes of hart- en vaatziekten ervaren nog jarenlang kwaliteit van leven. Dat ouderen daarom, vergeleken met andere leeftijdsgroepen, verreweg de meeste geneesmiddelen gebruiken, is dan ook niet verwonderlijk. Medicijnen zijn immers de wapens bij uitstek die de geneeskunde hanteert om ziekte te bestrijden.
Het vervelende is echter dat er bijwerkingen optreden. Dat er zelfs meer bijwerkingen optreden dan bij jongeren. Een `meevaller' is weer dat ouderen meestal een lagere dosering nodig hebben. Maar waarom is dit verschil? Waarin verschillen ouderen van jongeren? Laten we daarom eens een medicijn volgen dat we innemen. Na doorslikken komt het medicijn in de maag. De `doorlaatbaarheid' van maag en darmen is vaak in de loop der jaren veranderd. Sommige medicijnen worden versneld en andere vertraagd opgenomen, maar soms is er geen verschil tussen senioren en jongeren. Zo wordt paracetamol even snel opgenomen als bij jongere mensen. IJzertabletten zijn weer wat moeilijker te `verteren'.

Allerlei andere factoren spelen ook een rol bij het ouder worden. Vaak neemt het vochtgehalte in het lichaam af: `we drogen een beetje uit'. Het spierweefsel neemt in hoeveelheid af en het vetgehalte neemt toe. Dat heeft verschillende consequenties. In een `uitgedroogd' lichaam is de concentratie van een medicijn hoger dan wanneer er meer vocht is. Wordt een medicijn vooral in de spieren opgenomen dan zal er minder nodig zijn als we minder spierweefsel hebben. Heeft een medicijn een voorkeur om zich in vetweefsel te nestelen, dan zullen we in het begin meer medicijnen moeten innemen en na een aantal dagen minder omdat het vetweefsel `verzadigd' raakt met het geneesmiddel. Het is dan ook goed voor te stellen dat bij het stoppen van het medicijn het vet zijn opgeslagen medicijn weer prijsgeeft aan het bloed: we nemen niets meer in maar het middel werkt nog steeds.

Daarmee zijn we er nog niet. Het orgaan in ons lichaam dat medicijnen onwerkzaam maakt is de lever. Wij kunnen wel vinden dat we een geneesmiddel nodig hebben, de lever weet niet beter dan dat het om een lichaamsvreemde stof gaat en wil daarom deze indringer meteen onschadelijk maken. Maar de lever is niet meer wat hij geweest is. De hoeveelheid leverweefsel is afgenomen en de bloeddoorstroming door de lever is minder dan vroeger. Zo bedraagt deze voor een tachtigjarige nog maar de helft van die van een volwassene van middelbare leeftijd. Meestal levert dat niet meteen een probleem op gezien de riante reservecapaciteit die de lever heeft, maar we kunnen ons toch wel voorstellen dat de lever minder medicijn kan uitschakelen dan voorheen. Een geneesmiddel blijft dus langer werkzaam en we hoeven er dan ook minder van in te nemen.

De nieren zorgen ervoor dat het geneesmiddel ons lichaam weer verlaat. De lever maakt een middel grotendeels onschadelijk en maakt er een `hapklaar brokje' van die zijn weg naar de nieren vindt, waarna het wordt uitgescheiden. Dit medicijnvervoer naar de nieren vindt plaats via de bloedbaan. Omdat de nieren ook onderhevig zijn aan de tand des tijds kunnen ze op oudere leeftijd niet meer op volle toeren draaien. Als senioren een zelfde dosis medicijnen innemen als voor jongeren, kunnen de nieren dat soms niet meer aan en ontstaat er een ophoping van dit middel in het lichaam. Omdat de `hapklare brokjes' nog wel een beetje werkzaam zijn, neemt de kans op bijwerkingen toe. We hoeven dus minder geneesmiddel te slikken. Soms wordt voordat we een medicijn krijgen ons bloed geprikt waardoor inzicht verkregen wordt in de werking van lever en nieren.

POLYFARMACIE: GELIJKTIJDIG GEBRUIK VAN MEERDERE GENEESMIDDELEN

Hoe ouder we worden, hoe groter de kans is dat we medicijnen en steeds meer medicijnen gaan gebruiken. We lopen namelijk meer kans op meer aandoeningen tegelijkertijd die allemaal weer om een therapie vragen. Deze tsunami aan geneesmiddelen wordt ook wel polyfarmacie (veel geneesmiddelen) genoemd en geeft naast de eventuele voordelen ook een scala aan nadelen. Zo is het lastig om wijs te worden uit alle medicijnen die we innemen en fouten liggen dan ook op de loer.

















Als we polyfarmacie omschrijven als het gebruik van 5 of meer verschillende medicijnen, dan is daar sprake van bij bijna de helft van de senioren ouder dan 65 jaar (44.3%). Bij zo'n 20% van de 75-plussers is dat aantal medicijnen dat gelijktijdig wordt ingenomen al gestegen tot 9. Bij eenzelfde percentage van 20% bij 85-plussers is dat zelfs al 10. Opvallend is echter ook dat 25% van de 65-plussers helemaal geen medicijnen gebruikt. Illustratief dus dat je de gezondheidssituatie van senioren niet over n kam kunt scheren.

INTERACTIES

Veel geneesmiddelen versterken of verzwakken elkaars werking en dat speelt natuurlijk helemaal bij polyfarmacie.
Laten we van interactie een praktisch voorbeeld geven. Stel dat we de plaspil furosemide (lasix) gebruiken omdat we hartfalen (hartzwakte) hebben. Kenmerk daarvan is dikke voeten en soms kortademig. Met een plaspil gaat het weer een stuk beter. Op een dag hebben we lat van hoofdpijn en gaan naar naar de supermarkt op een pijnstiller te kopen: ibuprofen (Brufen). Na inname zakt de hoofdpijn, maar wat opvalt is dat de voeten weer dikker worden en zelfs de onderbenen ook wat. Als we de bijsluiter van brufen doornemen komen we er achter dat brufen de werking van de plaspil verzwakt waardoor het hartfalen weer erger wordt. Als we de bijsluiter niet doornemen, wordt het hartfalen erger zonder dat we weten waardoor dat komt.

















Na verloop van tijd gaan we naar de huisarts omdat het hartfalen erger is geworden. Als de hoofdpijn over zou zijn geweest, hadden we gestopt met brufen, was het hartfalen weer een stuk verbeterd en hadden we nooit geweten wat er gebeurd was. Maar als we weer hoofdpijn krijgen  en we weer brufen kopen, gebeurt weer hetzelfde. Met kennis van zaken hadden we dit kunnen voorkomen. Hoe? We lezen in de bijsluiter dat brufen de werking van furosemide verzwakt. We nemen geen brufen in, maar paracetamol.

Interacties hoeven helemaal niet alleen tussen geneesmiddelen voor te komen. Zo kunnen cranberry's de werking van antistolmiddelen versterken waardoor bij gebruik van `bloedverdunners' de kans op bloedinge toeneemt. Gebruiken we langdurig cranberry's, bijvoorbeeld als onderhoudsbehandeling om blaasontstekingen te voorkomen, dan moet we dat zeker melden aan de huisarts die dan weer de trombosedienst informeert, zodat de dosering antistol aangepast kan worden.

Voor veel meer informatie over ziektebeelden, medicijngroepen en medicijnen klik hier.